Voor u gelezen (2): gereformeerden en evangelischen
Een aantal weken geleden is een boek verschenen met de titel "Gereformeerden en evangelischen". waarin dr. J. Hoek en dr. W.J. Ouweneel elkaar uitleggen wat zij onder deze begrippen verstaan. In De Waarheidsvriend van 10 november gaat dr. A. de Reuver (hervormd predikant te Serooskerke en emeritus hoogleraar gereformeerde godgeleerdheid vanwege de Gereformeerde Bond) nader in op dit tweegesprek. Het eerste deel kunt u hier vinden. In deze uitgaven het tweede deel.

“Niet los verkrijgbaar”
Wat de verhouding van kruis en opstanding betreft, geldt een verwante overweging. Uiteraard is de opstanding in die zin meer dan het kruis (Rom.8:34), dat de Gekruisigde ten leven kwam om de vrucht van Zijn dood, te weten het verzoende leven, uit te delen. Maar dit opstandingsleven waarin Hij ons doet delen, is geen ander leven dan dat van de verrezen Gekruisigde. Dat wil zeggen: van Hem die de dood indaalde alvorens eruit op te staan. Zijn opstandingskracht is niet los verkrijgbaar, maar geheel verstrengeld met de gemeenschap aan Zijn lijden en de gelijkvormigheid aan Zijn dood (Fil.3:10).
gereformeerdevangelisch
Heiliging
Dit gezichtspunt heeft gevolgen voor de verhouding van rechtvaardiging en heiliging. Ik stem volledig met dr. Hoek in als hij stelt dat de heiliging niet het doel, maar een deel is van de rechtvaardiging. De heiliging heeft dan ook geen meerwaarde boven de rechtvaardiging. Ze is mét de rechtvaardiging gegeven. Ten geschenke!
Dr. Ouweneel beaamt dat ronduit en verstaat onder de heiliging de gelijkvormigheid aan Christus door de Heilige Geest gewerkt. Dat is een gereformeerd mens uit het hart gegrepen. Maar deze verwantschap maakt plaats voor vervreemding als de auteur stelt dat ‘men de hele theologie van Paulus grondig kan behandelen met slechts zijdelingse verwijzingen naar zijn rechtvaardigingsleer’. En als hij poneert dat de Schrift ‘van een toerekening van de gerechtigheid van Christus niets weet’, schept dat verbazing. Ik zou me geen raad weten als dat waar was. Maar het is niet waar. Het geloof dat tot rechtvaardigheid gerekend wordt (Rom. 4) kan toch niet de dáád van het geloof zijn (dat zou faliekant indruisen tegen de strekking van Paulus’ betoog), maar alleen het voorwerp ervan, namelijk Christus, die ons geworden is tot gerechtigheid (1 Kor.1).

Crux
Evenmin kan ik de auteur volgen als hij wat betreft de heiliging enerzijds verklaart dat de Heilige Geest ‘het doet’, maar anderzijds neerschrijft: ‘Wat de gelovige zelf heeft te doen, is zich openstellen voor de vervulling met de Heilige Geest’. Meer niet. Nee, maar dat is nu juist de crux. Ik zét de deur niet open. Ik draag in het geheel niets bij. Heil en heiliging komen van één kant. Compleet. Juist dat leert mij de Geest. Mondigheid en eigenmachtigheid ruimen het veld voor afhankelijkheid en ontvankelijkheid.
De gelijkvormigheid aan Christus, als kern van de heiliging, die de Geest schept, is er dan ook een van eigen aard. Ze bestaat uit de inenting in de Opgestane die gekruisigd is. Dat wil zeggen dat de Geest ons inlijft in dát leven dat door de dood is heengegaan en vanuit de dood tevoorschijn kwam. Het is de weg en wet van het tarwegraan. Deze stervensweg zouden wij nooit kiezen. We zouden die evenmin kunnen gaan. Ze overkomt ons van Hogerhand. De gang is veel meer passief dan actief. In een geloofspassiviteit waarin men Christus door Zijn Geest aan zich laat werken. Zoals een rank gelaafd en geleefd wordt door de wijnstok. Zonder enige pretentie.
Ik weet zelf niet eens wanneer en waar ik vrucht draag. Ik weet alleen hoe. Door genade alleen. Christus is het subject van de heiliging. Ik ben niet meer dan bezield instrument. Dat betekent dat wij juist op de weg van de heiliging, waarin Christus ons met Zich laat sterven en met Zich laat opstaan (zoals in de doop van meet aan al was uitgetekend), onszelf tegenkomen als onnut, onmachtig, onkundig, en wij ons uitgerekend zó voor God rechtvaardig en door Hem geheiligd weten. Zijn kracht in onze pure zwakheid. Zijn schat in een lemen vat.

Zingen en zuchten
Zoiets wil die paradox uitdrukken: 'simul iustus et peccator', tegelijk rechtvaardige en zondaar. Dat is niet maar een lutherse slogan, maar een voluit paulinische werkelijkheid. Romeinen 7:14 (‘vleselijk en onder de zonde verkocht’) kun je niet gekunsteld terugprojecteren op Paulus’ eertijds (toen vond hij zich trouwens blijkens Filippenzen 3 allesbehalve vleselijk), maar is te verstaan als een weeklacht tot God, die meteen een aanklacht aan eigen adres behelst.
Het is deze zelfde mens in misère die uit Gods mond vernomen heeft en door Hem verzekerd is dat hij gerechtvaardigd en gereinigd is in Christus’ bloed en vrucht draagt door in Hem te blijven. Romeinen 8 is geen stadium aan Romeinen 7 voorbij. De hooggestemde Paulus van Romeinen 8 ontmoeten we ook al in Romeinen 5 en 6, en de zuchtende Paulus van Romeinen 7 komt in hoofdstuk 8 helemaal terug. De apostel weet zich trouwens op zijn oude dag nog altijd pal vooraan te staan in de rij van zondaren. Vandaar dat hij zo verwonderd roemt in Gods barmhartigheid (1 Tim.15v). De jubel van zijn danklied is daarom zo hooggestemd omdat ze opkomt uit de diepte van een bittere klacht: ‘Ik ellendig mens… ik dank God…’ (Rom.7). Het is nu precies het eigene van de heiliging dat er geen sprake is van een overwinning die de strijd te boven is, maar van een overwinning midden in de strijd. Juist de zuchter zingt het hoogste lied. Juist het slachtschaap weet zich meer dan overwinnaar. Over deze paradox kan ik niet uit. En ik kom er ook niet bóvenuit.
(wordt vervolgd)