Belijdenis
10_belijdenisWat geloven en belijden wij?

Wat wij geloven komt heel goed tot uitdrukking in de Apostolische Geloofsbelijdenis. Deze belijdenis wordt wel de twaalf artikelen van het algemeen ongetwijfeld christelijk geloof genoemd.
Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en van de aarde.
En in Jezus Christus, Zijn enig geboren Zoon, onze Heere;
Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria;
Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald in de hel;
Op de derde dag weer opgestaan van de doden;
Opgevaren ten hemel, zittende aan de rechterhand van God, de almachtige Vader;
Van waar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden;
Ik geloof in de Heilige Geest;
Ik geloof een heilige, algemene, Christelijke kerk, de gemeenschap van de heiligen;
Vergeving van de zonden;
Wederopstanding van het vlees;
En een eeuwig leven.

Wat wij belijden krijgt vooral gestalte door hetgeen verwoord is in de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels. In deze stukken wordt aangegeven hoe wij Gods Woord, de Bijbel, dienen te verstaan.
In de avonddiensten waarin onze eigen predikant voorgaat wordt in de regel gepreekt n.a.v. een zondag uit de Heidelbergse Catechismus.
 
Visie op de gemeente
11_visieOp de in april 2010 gehouden gemeenteavond is het beleidsplan 2010-2014 gepresenteerd. In dit beleidsplan is ook een hoofdstuk omtrent de gemeente opgenomen. Het heeft de kerkenraad goed gedacht om dit deel uit het beleidsplan ook hier te publiceren. Dit deel betreft de oorsprong, gestalte, roeping, positie en bestemming van de gemeente.

De oorsprong en het wezen van de gemeente
“De gemeente is geen groep van gelijkgezinden, maar moet worden gezien als ‘gemeente Gods, geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen’, zoals Paulus de gemeente van Korinthe (1 Kor. 1:2) aanduidt.
De oorsprong van de gemeente ligt in de drie-enige God: zij dankt haar bestaan aan de verkiezende liefde van de Vader, aan het verlossende werk van de Zoon en aan het toepassende en vernieuwende werk van de Heilige Geest.
De plaatselijke gemeente is onderdeel van de eeuwenoude en wereldwijde kerk, die onze belijdenis aanduidt als ‘een heilige vergadering van de ware Christ-gelovigen, die al hun zaligheid verwachten in Jezus Christus, gewassen zijn door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld zijn door de Heilige Geest’ (NGB 27).
Drijvende kracht achter die wereldwijde en plaatselijke gemeente is Christus Zelf, door Zijn Geest en Woord: Hij vergadert haar, en Hij beschermt en onderhoudt haar tot het einde (HC zondag 21).
De Bijbel laat in een aantal beelden het wezenlijke van de gemeente en van het gemeente-zijn zien. De gemeente is het lichaam van Christus (1 Kor. 12). Christus is het Hoofd, de gemeenteleden vormen samen het lichaam (Ef. 1:22, 4:15). Dat betekent dat ieder lid zowel op Christus als op de medeleden aangewezen en betrokken is. De gemeenschap der heiligen houdt dan ook in dat ieder deel heeft aan Christus en al Zijn schatten en gaven, én dat ieder zich ervan bewust is dat hij zijn gaven gewillig en met vreugde moet gebruiken tot het nut en het heil van de medegelovigen (HC zondag 21).
Het beeld van de gemeente als lichaam maakt ook duidelijk dat iedereen in de gemeente een waardevolle plek heeft ontvangen en in dank mag benutten met de aan hem of haar gegeven gaven. Niemand is niet nodig. Alleen met de inbreng en inzet van allen is de gemeente als lichaam compleet en op volle sterkte (1 Kor. 12).
Het beeld van het lichaam wijst ook op de eenheid die er bij alle verscheidenheid tussen de gemeenteleden mag en moet zijn. De Geest verbindt de leden van het lichaam in broederlijke liefde aan elkaar, zoals uit veel graankorrels één brood gebakken wordt en uit veel druiven één wijn wordt gemaakt (avondmaalsformulier).
De gemeente wordt ook Gods akkerwerk, Gods gebouw of Gods tempel genoemd, waarin de Heilige Geest woont (1 Kor. 3; Ef. 2; 2 Kor. 6:16). Gelovigen zijn huisgenoten van God. Het gebouw staat op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Jezus Christus de Hoeksteen is.
Aan het gebouw wordt voordurend gewerkt (1 Kor. 3). Niet alleen ambtsdragers, maar alle gemeenteleden hebben de roeping om mee te bouwen aan het geestelijk huis. Tegelijk is het God Die het huis bouwt. Het doel is dat alle gemeenteleden als levende stenen in het bouwwerk worden gevoegd en er zo een geestelijk huis is, een heilige tempel, een woonstede voor God in de Geest (1 Petr. 2:5; Ef. 2:22 ).
De gemeente wordt in de Bijbel ook aangeduid als de kudde van de Goede Herder (Joh. 10), waaruit de zorg van de Herder voor de schapen spreekt. Bij die zorg bedient de Goede Herder Zich van ‘onderherders’, die Zijn kudde weiden (1 Petr. 5:2). Predikanten, ouderlingen en pastoraal werkers, diakenen en kerkrentmeesters worden geroepen om de zorg voor de gemeente gestalte te geven, haar te regeren en de tucht in haar midden te handhaven (NGB 30-32).
De gemeente is volgens de Heere Jezus ook – net als Israël (Ps. 80; Jer. 2) - als een wijnstok met ranken (Joh. 15). De ranken (gelovigen) zijn totaal aangewezen op de band met de Wijnstok (Jezus). God zoekt als de Landman naar de vruchten van zijn wijnstok. Het beeld wijst de gemeente op de noodzaak voortdurend verbonden te zijn met haar Heere en op het doel van haar bestaan: vruchtdragen voor de Vader.
De gemeente heet in de Schrift ook een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk (1 Petr. 2:9), waarmee aangegeven wordt dat de christelijke gemeente mag delen in de bevoorrechte positie van Israël (Ex. 19:6) en als wilde tak ingelijfd is bij Israël (Rom. 11) en zo deelt in beloften van Gods verbond met Abraham en zijn nageslacht.

De gestalte van de gemeente
In de nieuwtestamentische gemeente wordt iets zichtbaar van het koninkrijk der hemelen, dat er al is, en dat komt. Het ”reeds” geeft aan dat het hele heil met Christus verschenen is, waarvan de gemeente leeft en getuigt. Het ”nog niet” geeft aan dat Christus’ gemeente hier nog in een voorlopige gestalte is, met alle gebrokenheid van dien. In de belofte heeft de gemeente echter de volkomenheid en volmaaktheid, waarnaar ze zich uitstrekt en die ze verwacht.
Gemeenteleden zijn dan ook burgers van twee werelden. Hun burgerschap is in de hemel (Fil. 3:20) en ze zoeken de dingen die boven zijn (Kol. 3:1). Tegelijk staan ze met beide benen in de hedendaagse tijd en cultuur, kritisch, getuigend, dienend.
De gemeente is verbondsgemeente. Ze mag weten opgenomen te zijn in de verbondsgeschiedenis van God met Israël. Zoals God Abraham riep en met hem en zijn nageslacht een verbondsrelatie aanging (Gen. 12), zo verbindt God Zich nog altijd met de gemeente als geheel en met ieder gemeentelid afzonderlijk. De doop van kinderen en volwassenen is daar een teken en zegel van.
De verbondsgestalte van de gemeente maakt dat het gemeente-zijn een spannende aangelegenheid is. Want zoals niet iedere Israëliet werkelijk tot Israël hoorde (Rom. 9:6), zo is (helaas) niet ieder gemeentelid een levend lidmaat van Christus. Niet ieder die de verbondsrechten (belofte) heeft, komt ook de verbondsverplichtingen (geloofsgehoorzaamheid) na. Onkruid en tarwe groeien in het koninkrijk tegelijk op (Matth. 13:26). Er zijn kinderen van het koninkrijk die buitengeworpen worden (Matth. 8:12). En er zijn ranken aan de Wijnstok (Christus) die geen vrucht dragen (Joh. 15). De keerzijde van de verbondsbelofte is de verbondswraak.
Ook een verbondskind wordt in zonde ontvangen en geboren, is aan de verdoemenis onderworpen (doopformulier) en is onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad (HC - Zondag 3). Tegelijk belijdt de gemeente dat ieder verbondskind ook een tweede erfenis heeft: het is zonder het te weten in Christus weer tot genade aangenomen, het is in Christus geheiligd, is kind en erfgenaam van het rijk van God en van Zijn verbond (doopformulier). Het heeft de toezegging van het hele heil.
Die tweeërlei erfenis maakt het werken in de gemeente spannend. Er zal in prediking, onderwijs, jeugdwerk en pastoraat altijd met twee woorden gesproken moeten worden. Automatisme is uit den boze. Alle werk in de gemeente zal erop gericht moeten zijn dat het toegezegde ook toegeëigend wordt. De dopeling moet in de weg van het leren geloven discipel worden. Daarbij mogen werkers in de wijngaard veel verwachting hebben van de belovende God.
De kerk is de plaats waar God met zondaren samenkomt. Die twee componenten maken dat er in de gemeente aan de ene kant altijd verwachting is (van God), maar dat anderzijds de verwachtingen nooit te hooggespannen zullen zijn (want gemeenteleden blijven zondaren).

De roeping van de gemeente
De gemeente van Christus heeft zowel naar binnen als naar buiten toe een roeping. Voor beide is de liefde uitgangspunt en hoogste doel.
We kunnen –naar aanleiding van Hand. 2– vijf functies van het gemeente-zijn onderscheiden, die alle een interne en een externe kant hebben. De vijf functies zijn niet los verkrijgbaar, maar vormen als het ware de vijf kleuren waaruit de ene foto van de gemeente is opgebouwd.
Leren: De gemeente heeft als taak te blijven bij de leer van het Oude en Nieuwe Testament en van het christelijk geloof (doopformulier). De leer moet ook door alle leden –en in het bijzonder door de jeugd– worden toegeëigend en beleden. Vooral in prediking, catechese en kringwerk komt dit lerende aspect naar voren. Naar buiten toe moet de christelijke leer worden beleden en verdedigd.
Vieren: Als lichaam van Christus viert en beleeft de gemeente de band met haar Hoofd en met elkaar. Dit komt vooral tot uitdrukking in de zondagse samenkomst (eredienst, liturgie), waar de stem van God klinkt, het brood gebroken wordt, de lofprijzing plaatsvindt, de gebeden gedaan worden en de onderlinge gemeenschap beleefd wordt. Naar buiten toe gaat voortdurend de uitnodiging uit om de dienst aan God mee te vieren.
Dienen: In de christelijke gemeente volgt men de Heere Jezus (Joh. 13 vers 15) door elkaar met gaven –zowel materieel als immaterieel– te dienen, naar dat ieder nodig heeft (Hand. 2 vers 45). Dat betekent dat niemand gebrek hoeft te lijden. Vooral bij de inzameling van de gaven en in de dienst van de diakenen komt deze dienst naar voren. Ook naar buiten toe is de gemeente dienend bezig, om zo veel als in haar vermogen ligt de noden te lenigen.
Zorgen: Binnen de gemeente hebben de leden oog voor elkaar. In vreugde en verdriet is men er voor elkaar, vanuit de gedachte dat geen enkel lid van het lichaam zonder het andere kan en dat wanneer één lid lijdt, alle leden lijden (1 Kor. 12). Ook naar buiten toe heeft de gemeente, in navolging van haar Heere, zorg en aandacht voor de mensen om haar heen.
Getuigen: De gemeente is een getuigende gemeente. Onderling is er het voortdurende getuigen over Gods trouw en genade en in de samenkomst komt het getuigenis tot uitdrukking in de lofprijzing en de viering van het avondmaal. Maar vooral naar buiten toe getuigt de gemeente van haar Heere (Hand. 1 vers 8), legt ze verantwoording af van de hoop die in haar is (1 Petr. 3 vers 15) en zoekt ze naar wegen en middelen om de moderne mens te bereiken (evangelisatie) en hem te overtuigen van de waarheid van het Evangelie (apologetiek).
Dragende grond voor al deze aspecten van het gemeente-zijn is de liefde, gewerkt door de Geest: liefde tot God, tot elkaar en tot de wereld. Alleen zo is de gemeente het zout der aarde en het licht der wereld (Matth. 5 vers 13-16).

Eigen positie van de gemeente
De gemeente neemt haar plaats in te midden van een postmoderne en hedonistische cultuur en samenleving, die voor het overgrote deel los van God zijn. Dat vraagt om een kritische houding en een alertheid op de gevaren die de 21e eeuw met zich meebrengt. Te midden van die gevaren heeft ze de roeping om heilig te zijn zoals haar Heere heilig is (1 Petr. 1:16; 2 Kor. 6:17).
Ook in haar organisatie en in de methodes die ze hanteert, dient de gemeente te waken voor seculiere invloeden. Op een aantal punten moeten ambtsdragers en andere gelovigen goed onderscheiden.

Gods Woord versus behoeftebevrediging

Trend in de samenleving is om alles vanuit de sociale wetenschappen te benaderen. In het gemeentewerk kan dat ertoe leiden dat er veel aandacht is voor de juiste methoden, voor een populaire benadering van jongeren, voor de behoeften van mensen en voor te meten resultaten en dat Jezus een behoeftebevrediger wordt in plaats van een Redder van zondaren. Tegenover zo’n verpsychologiseerd evangelie legt de Bijbel de nadruk op de kracht van het Woord (Sola Scriptura) in de hand van de Geest. Van de gemeente wordt trouw en toewijding gevraagd, in plaats van een focus op succes. En als het om de behoeften van mensen gaat: het Evangelie wijst zelf de diepste nood aan (zonde), om vervolgens het juiste antwoord (genade) te geven.

Massa versus kleine groep De gemeente loopt het gevaar te focussen op grote aantallen en daarbij het iedereen naar de zin te maken. Echter, grote aantallen zijn niet per definitie een kenmerk van geestelijke groei. In de gemeente moet ook confronterend gesproken worden, moeten mensen vermaand worden en zullen mensen zich ergeren aan het Evangelie.
Ook om een andere reden is het zaak om in de gemeente te focussen op de kleinere groep. In de grote massa kunnen mensen snel ‘verdrinken’, terwijl gastvrijheid, onderlinge liefde en omzien naar elkaar juist dé christelijke deugden zijn. In een grote gemeente zal er dus gezocht moeten worden naar mogelijkheden om elkaar in kleiner verband te ontmoeten (huis- en wijkkringen), om zo ook te voorkomen dat mensen afhaken wegens gebrek aan beleving van saamhorigheid en gemeenschap.

Kom en zie versus ga en verkondig

De gemeente loopt het risico om onder invloed van een ervaringscultuur haar eigenheid in de uitverkoop te doen om de niet-gelovige binnen te halen. De eredienst, bedoeld om de gemeenschap met God en elkaar te vieren en toegerust te worden voor de taak in de wereld, wordt dan dé manier om mensen te bereiken (laagdrempelig). Terwijl Jezus zei: ”Ga en verkondig”, zegt de gemeente: ”Kom en zie/ervaar”. Het ”Ga en verkondig” betekent overigens niet dat de gemeente altijd ”op afstand” werkt. Naast het verkondigen op afstand zullen gemeenteleden juist in hun eigen omgeving een zoutend zout en een lichtend licht moeten zijn. In het duurzame contact kunnen niet-gelovigen zien wat een christelijk leven inhoudt en kan de geur van Christus verspreid worden.

Individualisering versus gemeenschap

In een geëmancipeerde en geïndividualiseerde samenleving lopen christenen het gevaar te focussen op hun eigen geloofsgroei en ontwikkeling in plaats van allereerst oog te hebben voor de opbouw van de gemeenschap als collectief. Duidelijk moet zijn dat bedieningen, gaven en talenten in de christelijke gemeente nooit gegeven worden voor de persoonlijke ontwikkeling alleen, maar altijd met het oog op de stichting (opbouw) van de gemeente (Rom. 14:19; 1 Kor. 14:3,5,12). Daarbij kent de gemeente een ambtelijke structuur, waarbij de leiding en verantwoordelijkheid voor het reilen en zeilen in de gemeente bij de ambtsdragers liggen. Dat wil ook zeggen dat de ambtsdragers de taak hebben de gaven en talenten van individuele gemeenteleden te reguleren, zodat die ingepast worden in het geheel van het gemeentewerk.

Bestemming van de gemeente
Kenmerkend voor het gehele gemeenteleven dient te zijn dat de christelijke gemeente onderweg is. Haar bestemming ligt elders, namelijk op de nieuwe aarde. Van daaruit verwacht ze haar Hoofd en Zaligmaker. De gemeente is als een bruid die wacht op haar bruidegom en zich voor hem versiert (Openb. 21). Dat geeft het leven van de gemeente een zekere ingetogenheid, waarbij ze niet let op wat de wereld van haar vindt, maar op hoe de Bruidegom naar haar kijkt. Zijn oordeel (Matth. 25) weegt het zwaarst. Naar Zijn komst ziet ze vol verwachting uit (Openb. 22), Zijn toekomst is het wenkend perspectief dat haar op de been houdt.