| Verzadigd |
|
Verzadigd
„En zij aten allen en werden verzadigd." (Matth. 14:20a en 15:37a) Matthéüs vertelt, evenals Markus, tweemaal over de zogenoemde wonderbare spijziging. Eerst is het een menigte van 5000 mannen die met vijf broden en twee vissen wordt gevoed (14:13-21). Daarna is het een schare van 4000 mannen die te eten krijgt van zeven broden en een paar visjes (15:29-39). Het verschil zit 'm niet alleen in de aantallen. Het gaat ook om de vraag waar en aan wie Jezus het brood deelt. Eerst de jood, dan de heiden. Tenminste, dat is de meest aannemelijke uitleg. Als Jezus hoort wat Heródes met Johannes de Doper heeft gedaan, trekt Hij zich terug op een eenzame plek. De mensen komen Hem echter achterna. En Jezus, hoe zeer ook aan rust toe, stuurt ze niet weg. Hij is juist bewogen over hen en geneest de zieken die ze hebben meegebracht. Als het avond wordt en het te laat is om de mensen naar huis te sturen, heeft Jezus een antwoord op het voedselprobleem: met vijf broden en twee vissen voedt Hij de hele menigte. De maaltijd is zelfs zo royaal, dat voor wat overblijft twaalf manden nodig zijn. Als de nieuwe Mozes voorziet de Messias dit volk in de woestijn van manna. En er is genoeg voor héél het volk: voor alle twaalf stammen een mand. Maar is het brood alleen voor Israël? Nee, vertelt Matthéüs verder. Ook een heidense, Kananese vrouw die op Jezus vertrouwt, mag als een hondje eten van de broodkruimels die op de grond vallen (15:21-28). Opnieuw trekt Jezus zich vervolgens terug, nu op een berg in het verheidenste gebied van Dekapolis (Mark. 7:31). En weer drommen de mensen met hun zieken om Hem heen. Als Hij opnieuw alle kwalen geneest, verheerlijken deze heidenen de God van Israël. Maar na drie dagen doemt het voedselprobleem opnieuw op: er zijn in deze afgelegen plaats slechts zeven broden en een paar visjes voorhanden. Onder Jezus' zegenende handen kunnen 4000 mannen met vrouwen en kinderen echter eten tot ze verzadigd zijn. En weer is er zelfs over: nu halen de discipelen zeven korven overgeschoten brokken op. Een volheid. Het brood dat Jezus deelt is voor Israël, maar niet minder voor de wereld, wil Matthéüs maar zeggen. Voor een Kananese vrouw, maar ook voor de volheid van de heidenwereld. En dan te bedenken dat het hier niet maar om een broodwonder gaat. Nee, in het delen van het brood deelt de Heiland zichzelf mee. Hij is immers Zelf het brood van God dat uit de hemel neerdaalt om aan de wereld het leven te geven (Joh. 6:33). Jood en heiden moeten het hebben van dit Brood des levens. Daarvoor hoeven we niet meer naar de woestijn. Komen en geloven is genoeg, zegt Jezus: „Wie tot Mij komt, zal beslist geen honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben." Het brood dat God ons gaf, dat groeit van boven af, het is uit hemels koren, het is uit God geboren. O brood, o hemels brood, gij redt ons van de dood met menigvuldig leven, de dagen alle zeven. Jaco van der Knijff |